‘Mijn kat vertoont agressie, wat kan ik hier aan doen?’

5 april 2016

Regelmatig word ik benaderd met de bovenstaande vraag.

Graag leg ik hier uit waarom ik geen antwoord kan geven op deze vraag via de mail of de telefoon, hoe graag ik dit ook zou willen. Deze, op het oog simpele vraag, is veel te gecompliceerd om een pasklaar antwoord op te geven. Er zijn namelijk enorm veel factoren die een rol spelen.

Zowel de socialisatieperiode, huidige leeftijd, het temperament, de leefomgeving, de inrichting van de woning, de aan- of afwezigheid van andere katten, de dagindeling, de omgang met de kat, de duur en de intensiteit, de locatie van en de omstandigheden gedurende een aanval, spelen allemaal een rol.

Iedere kat is een individu met zijn of haar eigen karakter en temperament. En net als bij mensen moet elke uiting van agressie eerst zorgvuldig bestudeerd en geanalyseerd worden voordat er uitspraken gedaan kunnen worden over de behandeling hiervan. Daar komt bij dat ik in de loop der jaren heb gemerkt dat mensen agressie op verschillende manieren ervaren. Wat voor de één een duidelijke aanval is, is voor de ander een uiting van spelgedrag. Bij hele hevige vormen (waarbij er bloed vloeit) is iedereen het er uiteraard over eens dat dit agressie is. Maar bij veel tussenvormen worden regelmatig signalen over het hoofd gezien of onbedoeld foutief geïnterpreteerd.

Agressie uit zich daarnaast in vele vormen. Bij katten onderscheid ik 12 aparte vormen van agressie en meestal is er sprake van een combinatie van deze verschillende soorten. Door korte tips te geven op basis van een mail of telefoongesprek, zonder dat ik de kat gedurende enkele uren in zijn of haar eigen omgeving heb kunnen observeren, zou ik zeer onverantwoord te werk gaan.

Zonder een gedegen onderzoek en persoonlijke observatie van een professionele gedragstherapeut zijn de risico’s op het geven van een foutief advies (en daarmee potentiële verwondingen) mijns inziens veel te groot.

Natuurlijk zou het heel gemakkelijk voor me zijn om een klein bedrag te vragen voor korte adviezen via de mail of telefoon wanneer het om agressie gaat. Maar ik wil niet op die manier geld verdienen omdat ik integer te werk wil blijven gaan. Algemene tips die op korte termijn kunnen werken zijn inmiddels overal op internet te vinden. Maar dat veel adviezen op lange termijn niet werken of zelfs gevaarlijk of schadelijk kunnen zijn wordt er meestal niet bij gezegd.

Persoonlijk vind ik het belangrijk om professioneel te blijven werken en altijd eerst op zoek te gaan naar de oorzaak om vervolgens een blijvende oplossing te kunnen bieden. Dus geen ‘aspirientje tegen de hoofdpijn’ bieden, maar de oorzaak van de hoofdpijn weg halen, dat is mijn insteek en werkwijze.

Hopelijk is door bovenstaande uitleg duidelijk geworden waarom ik geen adviezen via de mail of telefoon geef zonder het dier eerst in de eigen leefomgeving gezien te hebben, wanneer ik een vraag over agressie krijg. Een gedragsconsult is dan echt nodig om zowel de katten als de eigenaren zo goed mogelijk te kunnen helpen en verder te begeleiden om het probleem op te lossen.

Concurreren of samenwerken?

2 april 2016

Deze blog is een vervolg op de vorige. Die eindigde met mijn onvermogen om om te gaan met de overweldigende reacties die ik kreeg nadat ik destijds op tv was geweest

Ik besloot alles stil te leggen en te wachten tot de storm was overgewaaid. Ik raakte ervan overtuigd dat er meer mensen waren die in dit ‘gat in de markt’ zouden gaan springen, wat inderdaad gebeurde. En daar was ik in eerste instantie heel erg blij mee. Want hoe meer mensen zich zouden gaan verdiepen in kattengedrag, hoe meer katten er geholpen zouden kunnen worden. Uiteindelijk hebben we allemaal hetzelfde doel voor ogen; dieren helpen.

In de loop der jaren heb ik ze allemaal zien groeien. Er kwamen opleidingen op het gebied van kattengedrag die steeds beter werden en ik werd niet meer uitgelachen als ik vertelde wat voor werk ik deed naast mijn reguliere baan (want het meeste deed ik gewoon gratis vanuit een idealistisch maar achteraf gezien behoorlijk naïef standpunt).

Inmiddels heb ik mijn draai gevonden en heb ik een kleine praktijk waarvoor ik weinig reclame maak. Het enige wat ik doe zijn wat visitekaartjes en folders achterlaten bij enkele dierenartsenpraktijken in deze regio. Op verzoek begeleid ik mensen die gedragsproblemen ervaren bij hun katten, daarnaast ben ik enkele jaren geleden gestart als ambulante kattenoppas in en rondom mijn woonplaats. Hiermee verdien ik precies genoeg om het noodzakelijke bij te kunnen dragen aan de hypotheek en de dagelijkse boodschappen en meer heb ik niet nodig.

Er is echter 1 ding waar ik me aan begin te storen, en dat is een bepaalde mentaliteit die er onder sommige diergedragstherapeuten begint te ontstaan. Omdat de Nederlandse markt relatief klein is en er mensen zijn die met kattengedragstherapie in hun hoofdinkomen willen voorzien, komt onherroepelijk het aspect ‘geld’ om de hoek kijken. En daar begint de concurrentieslag, met alle gevolgen van dien. Er wordt met haviksogen gekeken naar wat anderen doen en er wordt flink tegen elkaar op gebokst. Mensen zijn bang dat hun ideeën worden gestolen, waardoor men op zijn of haar eigen eiland blijft zitten en probeert het wiel telkens opnieuw uit te vinden. Er worden negatieve uitlatingen gedaan over concurrenten zonder dat men elkaar ooit gesproken heeft. Hierbij gaat het dan inmiddels vaak niet eens meer over de inhoud van het vak, maar over de persoonlijkheden van de mensen die dit vak uitoefenen. Ik zie ons als concullega’s, maar ben er inmiddels achter dat dit een bijzonder naïeve gedachte is gebleken.

Er is groepsvorming ontstaan waarbij het niet meer lijkt te gaan over wie welke kennis in huis heeft, maar over wie wie kent. Exclusieve clubjes en keurmerken worden opgericht waarbij ‘slagers hun eigen vlees keuren’ (een nogal wrange vergelijking in dit verband, maar ik weet even geen betere uitdrukking die de lading dekt) en er wordt steeds meer met modder naar elkaar gegooid. Hier word ik oprecht verdrietig van, omdat het de aandacht verlegt naar status, geld en aanzien, terwijl ik denk dat je zoveel meer kunt bereiken als iedereen de focus zou verleggen naar dat waar het in essentie allemaal mee begonnen is. Het oprechte streven naar minder dierenleed. Als we dat allemaal als uitgangspunt zouden nemen en niet zo bang zouden zijn voor de concurrentie zouden we samen veel meer kunnen bereiken door onze kennis te bundelen en ideeën te delen.

Het allermooist zou het zijn als er een echt onafhankelijk keurmerk zou komen, met daarbij een soort ‘tuchtcollege’ voor diergedragstherapeuten zodat de rotte appels er op die manier uit zouden kunnen worden gefilterd. Alleen is dit in Nederland helaas niet mogelijk zonder belangenverstrengeling, omdat het wereldje van dierprofessionals hier te klein is.

Het laatste nieuws wat me ter ore is gekomen is dat opleidingen onderling elkaar soms fel beconcurreren, en dit gaat niet altijd op een fatsoenlijke manier. Ik kan een praktijkvoorbeeld geven dat dicht bij mezelf ligt.

Ik heb vorig jaar besloten om nascholing te volgen. Mijn theoretische kennis is bijzonder groot, en ik wilde juist graag wat meer praktijkgerichte kennis opdoen die ook goed toepasbaar is in dierenopvangcentra. Voor mijn werk kom ik veel bij particulieren thuis, maar tegelijkertijd kom ik ook in dierenopvangcentra waarbij katten in groepen worden gehuisvest en verzorgd worden door verschillende mensen. Om ook deze dieren zo goed mogelijk te kunnen helpen zul je een heel ander behandelplan op moeten kunnen stellen dan die voor een particuliere eigenaar.  Het moet iets praktisch zijn waar alle medewerkers mee aan de slag kunnen en waarbij rekening gehouden wordt met de mogelijkheden en beperkingen die er op een opvangcentrum zijn.

De nascholing die ik volgde is erg praktijkgericht en er zijn lesdagen die je volledig doorbrengt in een dierencentrum, waarbij je aan de slag gaat met asieldieren. Dit gegeven sprak me enorm aan, omdat ik nogal uitgebreid in mijn verslaglegging kan zijn en dit voor dierenasiels dus lang niet altijd werkbaar is. Het moet daar korter en bondiger en goed werkbaar voor allerlei medewerkers zijn. Daarom koos ik voor een opleiding die dit biedt. Er werd minder diep op de theorie ingegaan dan elders, maar voor mij persoonlijk was juist die praktische, praktijkgerichte aanpak een welkome aanvulling op mijn theoretische kennis.

Wat een domper was het dan ook toen ik onlangs hoorde dat er inmiddels ook al flink wordt afgegeven op deze opleiding. Het zou ‘maar MBO-niveau’ zijn en de lessen zouden gegeven worden door ‘mensen die niet weten waar ze het over hebben’. Let wel: dit werd gezegd door een woordvoerder van een concurrerende opleiding tegen een student die zich aan het oriënteren was tussen de verschillende opleidingen! Toen ik dit hoorde merkte ik dat ik voor het eerst cynisch werd over mijn concullega’s. En daarmee ging er direct een alarmbel af in mijn hoofd, want als ik niet uitkijk ga ik er zelf straks nog in mee en word ik ook zo. En dat wil ik voorkomen.

Het is fijn om sparringpartners te hebben die met een frisse blik kijken en er soms een andere mening op na houden dan jij zelf, daar kun je alleen maar van leren. En er zitten meer voordelen aan samenwerken: als de een tijdelijk uitvalt door bijvoorbeeld ziekte, kan de ander even bijspringen. En soms weet je dat bepaalde eigenschappen en kwaliteiten van een collega beter aansluiten bij een bepaalde cliënt, waardoor je nog meer maatwerk kunt leveren door iemand door te verwijzen. En ja, dat gaat in zo’n geval ten koste van de inkomsten die jij gehad zou kunnen hebben. Maar het gaat er in de kern om dat het dier zo goed mogelijk geholpen wordt, dat hoort mijns inziens altijd het uitgangspunt te zijn.